‘Als dit wapensysteem schiet, dan geeft dat een machtig gevoel’

Geplaatst door

Sneller, verder, nauwkeuriger. Dat is in drie woorden de toekomst van de artillerie op het slagveld. De Nederlandse artillerie is de afgelopen decennia voor een groot deel wegbezuinigd, maar met de oprichting van een 4de (Delta) batterij ‘minus’ op 30 april repareert de landmacht weer een stukje van de slagkracht. De naamgeving van de batterij heeft wat symbolisch. Delta staat immers voor verschil. Verschillen tussen wat is en wat zou moeten zijn, bijvoorbeeld. Ook de ‘minus’ geeft weer, dat het nog niet volmaakt is. Wat is er allemaal nodig om wat volmaakter te worden? Hoe ziet de artillerie er in de toekomst uit? Waarom blijft die vuursteun zo belangrijk? Om daar achter te komen ging Defensie Platform langs bij overste Rob ten Horn, commandant 41 Afdeling Artillerie.

‘Belangrijk om te weten is dat de artillerie historisch gezien een gelaagd wapen is’, zegt de overste, ‘Dat betekent dat ieder niveau zijn eigen vuursteunmiddel heeft. Een bataljon heeft zijn eigen vuursteunelement, elke brigade een eigen afdeling, en zo ook voor het nog hogere divisieniveau. Iedere commandant kan zo met eigen vuursteunmiddelen zijn eigen effecten beïnvloeden .Je hebt close effecten, Je hebt effecten in de diepte van het terrein , en je hebt effecten in het ‘achtergebied’. Daarnaast doen we aan grondwapensysteembestrijding, dus het bestrijden van vijandelijke vuursteunmiddelen.’

Komst nieuwe batterij

Overste Rob ten Horn

De theoretische voorkeurssituatie zoals de overste beschrijft heeft lang standgehouden totdat door bezuinigingen ingegeven alle vuursteuneenheden zijn gecentreerd in het Vuursteuncommando. ‘De gedachte was om zo vanuit een pool de capaciteit te kunnen uitdelen als die benodigd was door een eenheid. Hiervoor hadden we drie losse batterijen ingericht, waarvan één mortierbatterij gericht op het optreden van de Luchtmobiele Brigade of het Korps Mariniers. De staf moest vervolgens de vredesbedrijfsvoering, opleiding en training en de operationele taak combineren’, legt Ten Horn uit, ‘Maar bij de evaluatie is vastgesteld dat we met die constructie niet goed op alle niveaus in het operationele optreden konden aansluiten.’ Toen er enige financiële ruimte kwam voor reparatie hebben we daarom 41 Afdeling Artillerie opgezet, wat feitelijk neer komt op de inrichting van een operationele staf. Hiermee maakten we enerzijds weer mogelijk om op brigadeniveau aan te haken. Anderzijds creëerden we daarmee een uitgangspositie om weer te kunnen bouwen, als die kans zich voordeed. Toen afgelopen jaren het dreigingsbeeld veranderde zijn de ruim 25 pantserhouwitsers, die we bij de eerdere bezuinigingsrondes moesten afstoten, uit de verkoop gehaald. Zes daarvan hebben we kunnen re-activeren en daar hebben we de benodigde arbeidsplaatsen bij kunnen organiseren. En zo richten we nu, in een tweede reparatieslag, binnenkort de Delta Batterij ‘Minus’ op.”

“Dit geeft ons weer enige gelaagdheid en wat vertrouwen”, stelt de overste tevreden vast, maar het is volgens hem niet de endstate zoals die zou moeten zijn. “Feitelijk heeft elke gevechtseenheid zijn eigen dedicated middel nodig. Dat hoeft nog niet op stel en sprong en gelukkig maar, want zoiets is niet van vandaag op morgen gerealiseerd. Het zal stapje voor stapje moeten. Een belangrijke factor in de keuzes is wat de NAVO stelt in de capability gap: De NAVO vraagt aan Nederland met prioriteit één zware infanterie brigade met daaraan gekoppeld alle ondersteuning, inclusief vuursteun. De landmacht richt zich hiervoor op gereedstelling van een brigade als Heavy Infantry Brigade, met een dedicated afdeling artillerie. Omdat de NAVO daarnaast een Medium Infantry Brigade vraagt, zou daarna moeten worden toegewerkt naar oprichting van een tweede afdeling. Maar voor de duidelijkheid: dit zijn behoeftes. Realisatie is afhankelijk van de middelen die beschikbaar worden  gesteld.’

Hoe ziet 41 Afdeling eruit?

De artillerieafdeling van de Landmacht bestaat uit 2 pantserhouwitser batterijen en 1 mortierbatterij. De huidige houwitserbatterijen bestaan allebei uit 2 pelotons met ieder 4 pantserhouwitsers en 1 reservestuk, wat een totaal van 9 pantserhouwitsers per batterij maakt, dus 18 in de Afdeling. De mortierbatterij bestaat uit 2 pelotons met in totaal 16 120 mm mortieren.

De nieuwe Delta batterij ‘minus’ bestaat straks uit eveneens uit 2 pelotons, maar elk met ‘slechts’ 3 houwitsers en zonder het reserve-exemplaar.

Near peer opponent

Ten Horn licht toe waarom versterking van de artillerie zo noodzakelijk is voor de Krijgsmacht:  ‘Wij zijn er altijd vanuit gegaan dat we altijd superieur zouden zijn aan onze opponenten. Dat we altijd luchtoverwicht konden krijgen, dat onze systemen sneller en verder en nauwkeuriger schoten. De opponent had misschien wel meer massa, maar minder precisie en slimheid. Je ziet nu dat dat verschil is teruggelopen. We spreken nu van een near peer opponent, met bijna dezelfde capaciteiten als wij, met nog steeds meer massa. Daarom moeten we zelf ook meer zaken gaan aanpassen.’

Met de huidige twee batterijen, zou je wellicht verwachten al twee brigades tegelijk te kunnen ondersteunen, maar dat is niet zo volgens de afdelingscommandant. ‘Wij moeten gelijktijdig en diep, en close, en de grondwapensysteembestrijding kunnen doen. En dan ben je met 2 batterijen binnen 1 brigade al niet breed bezaaid. Als je dit vergelijkt met onze hedendaagse opponenten zitten wij echt dun in onze vuursteun.’ Daarom is het goed dat die extra batterij met de houwitsers er nu bijkomt. ‘En later hopelijk nog een batterij erbij’, werpt Ten Horn een blik in de toekomst, ‘Of dat dan een pantserhouwitserbatterij of een raketartillerie eenheid wordt, dat zijn keuzes die nog gemaakt moeten worden. Raketartillerie reikt verder dan de houwitsers en brengt de opponent binnen je bereik voordat deze jou kan raken. Zulk overwicht heeft een belangrijke, afschrikkende werking en helpt letterlijk en figuurlijk de strijd op afstand te houden.’

Om het belang van de artillerie te onderstrepen vertelt overste Ten Horn verder: ‘De huidige dreiging komt van een opponent die sterk is in anti-acces area denial. Dat betekent dat zij een gebied dusdanig kunnen afschermen dat je er niet met vliegtuigen naar binnen kan, omdat die dan uit de lucht worden geknald. Dus je mist de luchtbescherming, en ook op de grond kom je minder makkelijk binnen omdat ze veel systemen hebben die je aan kunnen grijpen. De enige manier om daar met grond- en luchtroepen op in te gaan is door vanaf grote afstand de kernelementen uit te schakelen, dus de grond-luchtsystemen en de ‘lange dracht’ grond-grondsystemen. Daar is vuursteun een belangrijke speler in. Maar dat betekent wel dat we meer dracht en meer precisie in moeten brengen in ons assortiment.’

Munitie en samenwerking

Munitie is daar een belangrijke factor in, en daar heeft ons land al stappen in gemaakt. Met de excalibur-granaat schieten we inmiddels bijna vijftig kilometer en supernauwkeurig. Het nadeel is dat deze munitie zo duur is, dat je die niet altijd wilt inzetten. Dus zijn er ook andere zaken nodig, zegt de overste: ‘We zitten nu in de transitie om met conventionele munitie te gaan van 18 kilometer naar de 30-40 kilometer bereik. De convenanten zijn al getekend, maar voordat we daarmee kunnen werken zijn we een paar jaar verder. We krijgen op de korte termijn een nieuwe munitiefamilie die eerst als domme granaat tot 40 kilometer kan schieten, maar daar komt later een precision guidance kit op, en dan schiet hij tot 30 meter nauwkeurig op bijna 40 kilometer. Die afstand is groot genoeg voor het diepe gevecht van een brigade en om daar belangrijke effecten te genereren. Als je kijkt naar anti-acces area denial, praat je echter over drachten van 200 kilometer of meer, en dan heb je raketartillerie nodig. Met de MLRS-systemen, die we vroeger hadden, had dat gekund. Inmiddels liggen er weer plannen – als er geld komt – om raketsystemen te kopen en dan praat je ook over munitiesoorten met verschillende effecten die 200 kilometer dracht hebben.’

Het nieuwe gevechtsvliegtuig van de Luchtmacht, de F-35 kan natuurlijk ook een belangrijke rol spelen in het uitschakelen van doelen op die afstand, maar dat kent een nuance, waarschuwt Ten Horn die daarbij wel benadrukt dat hij geen luchtmachtspecialist is: ‘Met de huidige aantallen F-35 heeft de luchtmacht deze vooral nodig voor het krijgen van luchtoverwicht en is er geen overcapaciteit om grondtroepen te ondersteunen, zeker niet in de startfase van een conflict. Daarvoor zou je dus weer meer F-35’s nodig hebben. Dan moet je afwegen of je voor dit doel, zo’n kostbaar middel wilt inzetten. Het is niet meer zoals vroeger dat je 50 straaljagers naar het doel stuurde en accepteerde dat er veel niet meer terugkwamen.  Lange-afstand-artilleriesystemen zijn in zekere zin betaalbaarder en vormen minder risico. Dus moet je proberen de kritieke systemen van de vijand op afstand uit te schakelen met vuursteunsystemen. Daarmee creëer je de randvoorwaarden dat anderen het gevecht over kunnen nemen en hun effecten kunnen creëren, en eigen troepen daarbij meer beschermd zijn.’

Sneller zijn dan de vijand

Ten Horn wil overigens niet beweren, dat de vuursteunorganisatie goedkoop en onkwetsbaar is. ‘Niet alleen wij proberen de systemen van de vijand uit te schakelen. De vijand probeert natuurlijk ook onze systemen onder vuur te nemen en uit te schakelen. Daarom is het belangrijk om sneller te zijn dan de vijand,’ stelt Ten Horn; ‘Zolang je sneller bent dan je tegenstander, zul je hem eerder uitschakelen dan dat hij jou uitschakelt. Dat is niet alleen een kwestie van pantserhouwitsers uit de verkoop halen en wat functies opplussen. Wij moeten zorgen dat onze doelverwerkingsloop zo snel mogelijk is. Daar kom je bij een aantal aspecten: ten eerste goede verbindingen met goede bandbreedte, dat zit binnen het verbindingsdomein. Het tweede aspect is: hoe ga je om met doelverwerking. Daar zit de link met het informatiegestuurd optreden. Wij hebben onze eigen sensoren, die zien iets, en historisch gezien ging dat met radio’s van waarnemer via A naar B naar C naar de shooter. Op dit moment zijn we zover dat de waarnemer in de meeste gevallen zelf iets intoetst in een computer, en dat gaat als data – weliswaar met tussenstap – naar de shooter. Daar win je al heel veel tijd mee, omdat alles in een format zit en we alleen maar hoeven te zeggen: dit gaan we uitvoeren en dat gaat die eenheid doen. De gewenste situatie is uiteindelijk dat dit proces met artificial intelligence bijna volledig automatisch verloopt. Wel nog de mens ‘on the loop’, maar niet  meer ‘in the loop’. Die ontwikkeling loopt nu, maar er zijn nog ethische vraagstukken over de autonomie: wat accepteer je wel, en wat accepteer je niet, waar is wel menselijke tussenkomst nodig en waar niet.’

In dat proces is de multimissie radar van Thales een belangrijke schakel. Die radar is vorig jaar beproefd en kan veel verder kijken dan de systemen die we nu hebben . Daar liggen dus veel kansen om het proces te versnellen en de vijand te slim en te snel af te zijn denkt de commandant de 41 Afdeling Artillerie: ‘Als we dit snel willen doen, moeten we een directe koppeling maken tussen sensor en shooter. Met spraak kan dit proces nu binnen 5 minuten,  maar daarvoor moeten van tevoren duidelijke afspraken gemaakt zijn.  Als we daar meer vrijheid in krijgen en het kan digitaal, hoef je niet die vaste koppeling te maken van de sensor naar die specifieke shooter. Want voor hetzelfde geld zijn wij net aan het verplaatsen, en kan een andere eenheid wel gelijk vuren, dan wil je dat de informatie naar die andere shooter gaat. Nu zit er een clubje mensen in een Boxer en dat clubje houdt bij wie er in staat is om te schieten, wie er in het voorterrein zit, en waar de info die binnenkomt naartoe moet, en of er 1 of 2 of nog meer eenheden moeten vuren. Met TNO onderzoeken  we hoe we dat proces kunnen versnellen op een manier dat alle checks and balances er in zitten, zodat we op doelen schieten waar we op mogen schieten.’

In de toekomst moet dat systeem krijgsmachtbreed werken, blikt de overste vooruit: ‘We moeten nu per sensor vooraf bedenken waar (op welke locatie) hij moet zoeken naar doelen, en via welke vooraf geplande verbindingsroute de doelverwerking en aanwijzing van de shooter (doelbestrijder) loopt. Idealiter gaan alle gegevens naar een soort blackbox en die bepaalt wat waarop gaat vuren. Dan spreken we niet alleen over artillerie, maar ook over vliegtuigen en misschien wel scheepsgeschut.’

Pantserhouwitser 2000NL

De Pantserhouwitser 2000NL (PzH2000NL) is het zwaarste geschut van de landmacht. Het 155mm-(krombaan)geschut kan tot op 50 kilometer afstand vijandelijke doelen onder vuur nemen.

Specificaties

  • lengte: 7,91 meter (zonder schietbuis) 11,70 meter (met schietbuis)
  • breedte: 3,60 meter
  • hoogte (met torendakmitrailleur en uitschuifbare periscoop): 3,07-3,46 meter
  • gewicht: 55.500 kilo (gevechtsklaar)
  • motor: 8-cilinder dieselmotor, 986 pk
  • bemanning: 5
  • snelheid: 62 kilometer per uur
  • bewapening: 155mm-houwitser (krombaangeschut),7.62mm-mitrailleur (torendak), (rook)granaatwerpers
Bron: Defensie.nl

Ontwikkelingen positief ondanks pijn

Hoewel het op bepaalde punten echt nog wel pijn lijden is, ziet overste Ten Horn zeker dat het extra geld dat bij de Krijgsmacht ter beschikking is gekomen, zorgt dat er meer mogelijk is. Ook bij de artillerie. ‘Er zijn meer reservedelen, meer munitie. Maar er staat ook een licht indirect vurend systeem gepland’, zegt hij, ‘Dat moet deels de mortieren vervangen. Daar is geld voor en dat systeem komt binnen nu en drie a vier jaar. Ook de 120 mm mortieren gaan op termijn vervangen worden. Dan wordt ook gekeken naar hoe er meer snelheid, mobiliteit en dracht kan komen, terwijl het nog past in het mobiele optreden. Verder kunnen we nog niet altijd 40 kilometer ver schieten en hebben we nog steeds niet alle bommen die nodig zijn, maar over 2 jaar zijn die er wel. En dan komt op 30 april dus die extra batterij. Het ontwikkelt zich echt wel ten positieve, alleen niet alles direct.’

Die investeringen en de verschillende aspecten aan het werk van de artillerie maken het leuk om voor de eenheid te werken. En dat uit zich in de personele vulling, die heel behoorlijk is. ‘Wij mogen niet klagen, we zitten rond de 85%, dat is best goed’, zo zegt de overste, ’De vacatures liggen met name op het gebied van specialisten, technische dienst en verbindingsmensen. Je merkt dat mensen het fijn werken vinden bij ons. Dat komt door het werk: het vakmanschap van het werken met de techniek van een groot stuk staal, met veel eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid, en met de groene bek in het terrein. Dus of je nou specialistisch bent, of breed georiënteerd, je kunt bij ons je ei kwijt. En bovenal: Als dat machtige wapensysteem schiet, en als je de impact ziet van de granaat in het voorterrein, dat geeft een fantastisch gevoel. Zeker ook als je ziet wat je daarmee bijdraagt aan de slagkracht van de landmacht.’

Door: Eduard van Brakel

Foto’s: ministerie van Defensie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.